De discussie of Nederland vol is, gaat over de rust en ruimte die er is – en die we voelen, die we moeten delen en die we missen. Is Nederland ooit te vol? Over de frictie tussen gevoel en de feiten.

door MONIQUE KOUDIJS

Hoeveel fysieke leefruimte heeft een mens minimaal nodig? Hoeveel natuur, rust en stilte? En wanneer keert het gebrek daaraan zich tegen de soort? De agressie in de publieke ruimte roept vergelijkingen op met het gedrag van ratten in een te kleine kooi. Is die parallel werkelijk te trekken of zijn de observaties enkel ingegeven door een ongrijpbaar gevoel dat bij tijd en wijlen weer eens de kop op steekt? Maar anderzijds: kunnen we in Nederland eeuwig doorbouwen of is het noodzakelijk een bepaalde verhouding tot de bestaande natuur in de gaten te houden? Dit, ter welzijn van ‘de soort’.

Hoe groot is Nederland

Eerst maar eens de kale feiten: Nederland heeft een oppervlakte van 41.526 km2 en heeft ruim 16 miljoen inwoners. We zijn daarmee het dichtstbevolkte land in Europa en een van de dichtstbevolkte landen ter wereld (ca. 385 inwoners per km2). Wanneer je de wateroppervlakte niet meetelt, dan heeft Nederland volgens het CBS een bevolkingsdichtheid van 468 per km2. Natuurlijk zijn er grote regionale verschillen: zo kent de Randstad zo’n 1.000 inwoners per vierkante kilometer, het noorden circa 190, het zuiden en het oosten gemiddeld 440.

Bevolkingsdichtheid in EU

Ter vergelijking: België is iets kleiner dan Nederland, maar herbergt 6 miljoen mensen minder. Gemiddelde bevolkingsdichtheid per vierkante kilometer: 337. Duitsland is negen keer groter dan Nederland, maar heeft slechts vijf maal zoveel inwoners. Gemiddelde dichtheid: 230 inwoners. Ook Frankrijk is relatief gezien dun bevolkt, met gemiddeld 107 inwoners per km2. Zweden is een van de dunst bevolkte landen van Europa. Met 9 miljoen inwoners en een gebied dat elf maal zo groot is als Nederland heeft het een bevolkingsdichtheid van twintig inwoners per km2. Regionaal bestaan er (net als in andere landen) enorme verschillen: het noorden heeft een gemiddelde bevolkingsdichtheid van drie inwoners per km2, het verstedelijkte gebied rond Stockholm 251.

Hoogtepunt bevolkingsgroei

De bevolkingsgroei van Nederland heeft zijn hoogtepunt nog niet bereikt. Rond 2011 wordt de zeventienmiljoenste inwoner verwacht en het Centraal Bureau voor de Statistiek voorspelt dat de bevolking tot 2030 nog zal doorgroeien tot achttien miljoen inwoners. Daarna eist de vergrijzing haar tol en door een sterfte-overschot zal de bevolking in de loop van de eeuw geleidelijk afnemen tot rond de 16 miljoen in 2100.

Veel te veel inwoners

Zestien miljoen is veel te veel, vindt de ‘Stichting De Club Van Tien Miljoen’ al jaren. Deze demografisch georiënteerde stichting van verontruste burgers pleit al sinds de oprichting in 1994 voor een bevolkingsaantal van maximaal 10 miljoen (ca 300 mensen per vierkante kilometer) om redenen van vooral ecologische aard. De kwaliteit van menselijk leven is volgens de stichting alleen gewaarborgd in harmonie met de vrije natuur. Komt de natuur onder druk te staan door uitbreiding van wegen, vliegvelden, et cetera, en de daarmee gepaard gaande verschijnselen als milieuvervuiling, dan komt ook de kwaliteit van leven onder druk te staan.

Pim Fortuyn

De bekendheid van de Club verdween gaandeweg de jaren echter naar de achtergrond. Het thema kwam weer ten volle tot leven toen Pim Fortuyn eind 2001 publiekelijk fulmineerde dat Nederland toch echt ‘te vol’ is, om daarmee impliciet te verwijzen naar de immigratiepolitiek.

Sindsdien blijft het thema de kranten beroeren. Zo wees Dr. Jeroen Doomerik van ‘Het Instituut voor Migratie en Etnische Studies’ in het kader van deze discussie in een ingezonden stuk in Het Parool afgelopen zomer op de ruimtevretende levensstijl van Nederlanders, die naar zijn mening – anders dan het immigratieprobleem – een oorzaak zou kunnen zijn voor het ‘subjectieve gevoel van een (over)vol land’.

Meer welvaart werkt meer mobiliteit in de hand. We willen rustig wonen en werken elders, dus woon-/werkverkeer neemt toe. Bovendien, redeneert hij, vereist de mondiale economische concurrentie groeiende investeringen in uitbreiding van wegen, vliegvelden en dergelijke en, economische groei betekent meer ruimtebeslag, hetgeen het ‘claustrofobische gevoel’ van mensen zou kunnen verklaren.

Normen voor welbevinden

Kunnen we eeuwig doorbouwen?, is dan de vraag. Of bestaat er een bepaalde limiet, op basis van eventueel bestaande ‘ideale verhoudingen’ tussen mensen en grondgebied of tussen verstedelijking en natuur?

“Nee, dergelijke limieten bestaan niet, zijn ook niet zinvol. Want waar leg je de grens en op basis waarvan?”, reageert hoogleraar Algemene Planologie, Len de Klerk. Hij refereert aan andere rivierdelta’s als de Nijldelta of de Gangesdelta waar de dichtheden “ongelooflijk veel groter zijn dan in Nederland”. Hij wijst op de onzinnigheid van een dergelijke landelijke norm, omdat de beginsituatie van waaruit je die norm zou moeten bepalen al zo diffuus is

Natuur in Nederland

“In de eerste plaats is Nederland überhaupt niet rijk aan natuur, al eeuwenlang niet”, vervolgt De Klerk. “Je kunt dan wel een norm bepalen, maar dat is dan een norm van het bestaande. En is dat dan een norm die aan bepaalde waarden beantwoordt of is het een pragmatische, die zo uitpakt omdat het toevallig het enige is dat je kunt meten?”

Hij wijst op de geringe mate van toepasbaarheid van een dergelijke norm, want “de elementen op basis waarvan je dergelijke normen zou kunnen berekenen, verschillen regionaal enorm. Denkt u maar aan de wijze waarop provincies als Groningen en Friesland zijn ingericht tegenover provincies als Zuid-Holland.”

Dynamische normen

Wel blijken er – overigens dynamische – normen op wijkniveau te bestaan, zoals bijvoorbeeld de hoeveelheid woningen per hectare, maar ook die zijn weer afhankelijk van tal van factoren, zoals woonwensen (soort woningen, voorzieningen) en de heersende welvaart.

De Klerk: “Er is in de jaren ’50 bijvoorbeeld een serie aardige onderzoeken gedaan naar woonbeleving in de toen nieuw gebouwde wijken. Daar is vrij veel van geleerd over dichtheid, hoe je flats ten opzichte van elkaar moet plaatsen en hoogbouw tegenover laagbouw en hoe je met gemeenschappelijke tuinen en privétuinen om zou kunnen gaan.”

Echter, op stadsniveau of voor heel Nederland heeft het stellen van dergelijke normen geen zin, betoogt De Klerk. De “onzinnigheid” daarvan ligt voor hem alleen al in het feit dat normen en waarden aan verandering onderhevig zijn.

Veranderende behoeftes

De Klerk: “De woonwensen van vijftig jaar geleden verschillen aanzienlijk met die van vandaag. Niemand kon zich bijvoorbeeld vijftig jaar geleden voorstellen dat in het Oostelijk Havengebied van Amsterdam Java-eiland en het KNSM-eiland aantrekkelijke woonbuurten zouden ontstaan. Net zo min als iemand zich kon voorstellen dat je een stuk van het IJ opspuit aan de oostzijde van de stad en daar een nieuwe wijk neerlegt. Op die manier kunnen wij nog heel lang doorbouwen.”

“De vraag is welke behoefte zich voordoet en die behoeftes zijn dynamisch in de tijd. Ook op macroniveau”, weet de hoogleraar. “Denkt u maar aan de ontwikkelingen in de landbouw. De toenmalige EEG, nu de EU, heeft een beleid gevoerd dat al bijna een halve eeuw oud is om de grootschalige efficiënte landbouw te bewerkstelligen, zodat de landbouwproducten relatief goedkoop blijven. Dat is tot op vandaag best gelukt. Maar je ziet de laatste tien jaar dat landbouwgrond wordt afgestoten en wordt omgezet in recreatiegebied. De vrijetijdsindustrie is belangrijk geworden, er gaat veel geld in om en daar wordt dus ook meer ruimte voor uitgetrokken.”

Bovendien stelt De Klerk de grensafbakening van het Nederlandse grondgebied binnen de gestelde problematiek ter discussie. “We hebben momenteel in Nederland net zoveel natuurgebied als verstedelijkt gebied, zo’n 12 tot 15 procent. Dat is niet veel. Maar als je de mobiele mens in ogenschouw neemt, zou je bijvoorbeeld ook de natuur over de grenzen kunnen rekenen tot hetgeen dat voldoet aan de natuurbehoeften van Nederlanders.”

Relevantie landsgrenzen

Zijn landsgrenzen voor de wetenschap dan niet zo relevant? Want ook hoogleraar Demografie en Ruimte, Clara Mulder, weet de gestelde problematiek aan alle kanten te neutraliseren door er fijntjes op te wijzen dat het voor de demografie pas zorgelijk wordt als – op wereldschaal – de hoeveelheid mensen in relatie tot de hoeveelheid voedsel die de wereld duurzaam kan produceren uit evenwicht raakt. En in Nederland is daar gezien de hoeveelheid ruimte en de voedselproductie, natuurlijk geen sprake van, zegt zij.

“Door de Amerikaanse demograaf J. Cohen is daar studie naar gedaan. Op wereldschaal valt er natuurlijk wel wat over te zeggen. Op termijn zou dat misschien een probleem kunnen worden. Maar dat is een heel andere kwestie dan de vraag hoe vol een land zou mogen zijn.”

Onzinnige discussie

Zij vindt het zelfs volstrekt onzinnig om de bevolkingsomvang van Nederland ter discussie te stellen. Op Europees niveau maken demografen zich momenteel juist zorgen over het op peil houden van de bevolkingsomvang, memoreert Mulder. “In opdracht van de Verenigde Naties hebben demografen bijvoorbeeld uitgerekend dat er vanaf het jaar 2010 ongeveer 9 miljoen immigranten per jaar naar de Europese Unie zouden moeten komen om de verhouding tussen 15-64-jarigen en 65 plussers in stand te houden.”

Groene woonwens

Zoomen we in op Nederland, het lapje grond van 41.526 vierkante kilometer, dan bespeurt Mulder wel “een groene woonwens” bij voornamelijk gezinnen met kinderen. Maar verder reikt het onderzoek niet voor wat betreft normen voor welbevinden. “Door sociologen en geografen is wel eens onderzocht of er effect is van groen in de woonomgeving op de gezondheid. Daar werd enig verband gevonden, maar dan niet zozeer in de mate van verstedelijking, maar meer van het hebben van een tuin.”

Bevolkingsdichtheid

Nog scherper gesteld: “Het is de vraag of de hoeveelheid woonruimte die mensen per persoon ter beschikking hebben niet veel belangrijker is voor hun welbevinden dan wat er buiten de woning gebeurt. En die hoeveelheid woonruimte per persoon is de afgelopen decennia in Nederland alleen maar gestegen”, betoogt Mulder.

Volgt nog de genadeklap: “Kijk je internationaal naar het verband tussen bevolkingsdichtheid in een land en het welbevinden, dan hebben mensen die in meer verstedelijkte landen wonen het bij mijn weten eerder beter dan slechter in vergelijking met mensen in ‘legere’ landen. Welbevinden is natuurlijk vooral ook een economisch verhaal.”

Gedijen van de soort

Volgens hoogleraar Sociologie Ruut Veenhoven is de Nederlander heden ten dage een gelukkig mens, een hoge bevolkingsdichtheid ten spijt. Materiële welvaart, vrijheid en rechtszekerheid bepalen in eerste instantie de mate van welbevinden in een land, heeft internationaal onderzoek uitgewezen. Veenhoven houdt zich sinds 1970 (“toen duidelijk werd dat welvaart nog geen welzijn is”) bezig met ‘sociale condities voor menselijk geluk’ en inventariseert daartoe resultaten van lopend internationaal onderzoek.

Ecologische omstandigheden komen in het onderzoek echter nauwelijks aan de orde. Veenhoven: “Er zijn wel onderzoeken bekend, waaruit blijkt dat patiënten die uitkijken op een park sneller genezen dan patiënten die uitkijken op een parkeerterrein, maar de onderzoeksresultaten zijn niet indrukwekkend.”

Aanpassingsvermogen

Veenhoven deed wel onderzoek naar leefbaarheid van de leefomgeving, in opdracht van het ministerie van WVC in 2000. Maar in tegenstelling tot sommige planten, waarvan vrij nauwkeurig bekend is hoeveel licht, lucht, water en mineralen ze nodig hebben, blijkt uit de resultaten van deze studie dat dit voor de onderzoeksgroep ‘mens’ toch wat ingewikkelder ligt. Immers, als je niet vooraf kunt bepalen wat een soort nodig heeft, ‘kan leefbaarheid alleen achteraf worden bepaald door de mate waarin de soort gedijt’, concludeert de hoogleraar in zijn onderzoeksverslag.

Rest nog het aanpassingsvermogen van de mens. Dat blijkt dermate ‘gevarieerd’, zoals Veenhoven dat in zijn onderzoek naar leefbaarheid noemt, dat op vragen waar een leefomgeving allemaal aan moet voldoen, niet goed antwoord is te geven.

Nederland ooit te vol?

De vraag of Nederland ooit te vol zal zijn, blijkt voor wetenschappers dus niet erg relevant, volgens sommigen zelfs ‘onzinnig’, en in relatie tot welbevinden moeilijk te onderzoeken. Ook de behoefte aan natuur zal altijd gissen blijven. Dus blijft de frictie tussen de feiten en het gevoel.

NB: Dit artikel is gepubliceerd in voormalig kwaliteitsblad Intermediair op 9 januari 2003. 

De opdracht:
Het idee is door mijzelf aangedragen.

Het idee:
In het kader van de discussie of Nederland te vol is, ben ik op zoek gegaan naar het bestaan van objectieve maatstaven voor het welbevinden van mensen binnen de vakgebieden sociologie, planologie en demografie. Met name de verhouding mensen/grondgebied en natuur/verstedelijking stel ik aan de orde.

LEUK!: Mijn artikel werd gebruikt voor een praktische opdracht voor de Havo, vak wiskunde A (statistiek) op de website math4all.nl.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *